J’ai porté l’enfant d’un.e autre: la gestation pour autrui

Mónica Bourlet

Revue Belge de Psychanalyse

Résumé

A travers l’expérience complexe de la Gestation Pour Autrui, cet article a cherché à enquêter sur leurs motivations des mères porteuses gestationnelles à se lancer dans une GPA et leur expérience de celle-ci.

À partir du matériel clinique de deux entretiens (l’un avec une mère porteuse canadienne et l’autre avec une mère porteuse belge), j’es- saie d’illustrer comment les aménagements psychiques des mères porteuses impliquées dans la gestation pour autrui donnent sens à cette expérience; ces processus en jeu questionnent notamment le désir d’enfant et leur(s) représentation(s) de la fonction maternelle.

Deux premiers éléments se dégagent :

(1) Au-delà du projet altruiste, c’est sur la base d’un désir partagé de permanence d’un lien entre la mère porteuse et les parents d’intention, dans la distance et dans le temps, que la gestation pour autrui pourrait avoir lieu.

(2) Ensuite, il est très clair pour elles que cet enfant n’est pas le leur. Dès lors, le corps des mères porteuses est perçu comme servant inconsciemment de support à l’élaboration d’un scénario de séparation, qui à son tour semble correspondre à une tentative de restauration psychique.

Ik heb het kind van iemand gedragen: draagmoederschap

Door de complexe ervaring van draagmoederschap, trachtte dit artikel de motivaties te onderzoeken, waarom deze vrouwen starten met een draagmoederschap en hun ervaring ermee.

Met het klinisch materiaal van twee gevalstudies (een met een Canadese draagmoeder en een ander met een Belgische draagmoeder), probeer ik te illustreren hoe de psychische constructies van betrokken draag- moeders, betekenis geven aan deze ervaring; deze processen bevragen namelijk het verlangen naar een kind en hun representatie(s) van de moederfunctie. Twee bevindingen komen naar voor:

(1) Naast het altruïstische project, is het op basis van het gedeelde verlangen naar een duurzame relatie tussen de draagmoeder en de wensouders, over afstand en tijd, dat het draagmoederschap kan plaatsvinden.

(2) Vervolgens, is het heel duidelijk dat dit kind niet van hen is. Daarom, wordt het lichaam van draagmoeders gezien als ondersteuning voor de uitwerking van een onbewust scheidingsscenario, dat op zijn beurt lijkt op een poging om tot psychisch herstel te komen.

I’ve cared someone else’s child: gestational surrogacy

Exploring the complex experience of surrogacy by gestational surro- gates, this article sought to investigate their motivations; why they go through surrogacy and their experience of it.

With the clinical material from two interviews (one with a Canadian surrogate and another with a Belgian surrogate), I try to illustrate how, through the psychic arrangements, surrogates involved in surrogacy give meaning to this experience; these processes in play question in particular the desire for a child and their representation(s) of the maternal function.

From the initial evidence appear two findings:

1) Beyond the altruistic project, it is on basis of the shared desire for permanence of the link between the surrogate mother and the intended parents over distance and time that the surrogacy could take place.

2) Then, it is very clear to them that this child is not theirs. Therefore, the body of surrogates is seen to serve as a support for the elaboration of a script for an unconsciously process of separation, which in turn seems to correspond to an attempt at psychic restoration.

 


This site is registered on wpml.org as a development site. Switch to a production site key to remove this banner.