De Droom. Verkenning van een Grensgebied

Publicaties door leden

Delen op

Recensie

Bespreking van

Marc Hebbrecht (2010). De droom — Verkenning van een grensgebied. Utrecht: De Tijdstroom. ISBN 978 90 5898 171 4, 207 pp., € 26,–

 

De omslag van de studie van Marc Hebbrecht is veelzeggend: het woord DROOM dat wit oplicht, vervaagt allengs in de bovenste regionen van de cover, terwijl in de onderste helft de contouren opdoemen van de beroemde gravure van Goya waarop nachtelijke monsters de slaper belagen. Zo worden we vanaf het begin uitgenodigd om mee te dromen, of althans om zelf connecties en associaties aan te brengen in de veelvormige benadering van de droom die ons wordt voorgeschoteld.

De droom is weer helemaal terug van weggeweest, getuige ook de vele congressen die de laatste jaren werden georganiseerd (liefst twee megamanifestaties in Nederland in 2011: die van de International Association for the Study of Dreams op Rolduc, in Kerkrade, en de Internationale Droomconferentie in Amsterdam). De Sandler-conference in Frankfurt, eveneens gehouden in 2011, leidde al tot een rijke publicatie: The significance of dreams (2012, Karnac).

Daarom is ook het boek van Hebbrecht zeer welkom, te meer daar hij zich niet beperkt tot specifieke elementen van de droom, maar tracht een overzicht te geven van het hele landschap. Hij doet dit in vier delen, die ook weer elk op hun beurt verschillende aspecten aankaarten. Na een algemene verkenning van het terrein met een presentatie van de fenomenologie van de droom worden achtereenvolgens de biologie, de psychoanalyse en de psychiatrie onder de loep gelegd.

Reeds in het fenomenologische deel wordt een belangrijk vertrekpunt naar voren gebracht dat in allerlei vormen steeds terugkeert, namelijk het feit dat de droom een constructie is (p. 39). In eerste instantie is het zaak de eigenlijke droomarbeid te onderscheiden van dagdromen, rêverieën, hallucinaties en zogenaamde lucide dromen. Meteen blijkt dan dat het trekken van scherpe grenzen hachelijk is: veel hangt af van context en omstandigheden.

Het biologische gedeelte, waarin de neurologische aspecten de aandacht krijgen die ze verdienen, is specialistisch en toch heel begrijpelijk (met ook een gedeelte over de invloed van geneesmiddelen op dromen). De laatste stand van zaken in het droomonderzoek wordt hier aangeboden waarbij in het bijzonder de complexiteit van de verschillende processen die een rol spelen (en de plaatsen in de hersenen waar deze ontstaan) goed naar voren wordt gebracht. Hieruit blijkt bijvoorbeeld ook dat het onjuist zou zijn te denken dat de droomactiviteit zich beperkt tot de remslaap. Het onderzoek van Solms, die tevens onderstreept dat dromen ‹betekenisvol› zijn, is hierin maatgevend. Als belangrijke functies van de droom worden met name de consolidering van het geheugen en de stimulering van synaptische plasticiteit genoemd.

Samenvattend stelt Hebbrecht dat het neurobiologische onderzoek belangwekkend is en ongetwijfeld in de toekomst nieuwe inzichten zal aandragen. Op dit moment is er vooral een levendige discussie over de verschillende standpunten. ‹De huidige neurowetenschappelijke theorieën kunnen de narratieve aspecten, de betekenis, de inhoud en de functie van de droom echter niet verklaren› (p. 69).

Zo is de overgang naar de psychoanalytische benadering vanzelfsprekend, want deze tracht bij uitstek de betekenis van de droom aan te geven. Daarbij is een van de hoofdvragen welke rol de opvattingen van Freud over dromen vandaag de dag nog kunnen spelen. Diens theorie wordt helder uiteengezet met de nadruk op de ‹wensvervulling›, de associaties, de symboliek en de grens tussen latent en manifest (met de rol van de censuur). Laatstgenoemde grens wordt tegenwoordig als veel vloeiender beschouwd en ook bij de wensvervulling worden vraagtekens geplaatst. Maar Freud biedt wel een uitgangspunt waarop voortgebouwd kan worden, namelijk dat de droom een betekenisvolle constructie is. Ook het begrip ‹nachträglich› dat bij hem opduikt en aangeeft dat de droom niet (alleen) teruggrijpt op het verleden maar een nieuw en eigen scenario creëert, sluit aan bij hedendaagse ideeën. Freuds ‹Deutung› speelt zo haar rol in een veel bredere mozaïek van verklaringen. Ook Jung behoudt trouwens een zekere actualiteit.

De ongetwijfeld belangrijkste pagina’s van dit deel behandelen echter de ontwikkelingen na Freud. Bion, Fonagy, Kais, Meltzer, Ogden en Ferro zijn de meest pregnante figuren, en hun zienswijzen worden knap samengevat en vergeleken. Enkele belangrijke conclusies die daaruit kunnen worden getrokken, betreffen allereerst de verschuiving van de aandacht van de droom naar de dromer en het kunnen dromen. Verder ligt de nadruk veel meer op de droom als creatie (te vergelijken met een literaire schepping), waarbij de ‹verwoording› een hoofdrol speelt. Transitionele aspecten en intersubjectiviteit zijn hierbij vaak heel belangrijk. En de betekenisgeving is uiteraard ook afhankelijk van het gekozen paradigma (uitgaand van Freud, Jung, Lacan, Winnicott etc.). Als kenner van Bion besteedt Hebbrecht (terecht) speciale aandacht aan diens benadering, waarin connecties, relaties en compensaties een fascinerend samenspel componeren. Zo komt naar voren dat dromen samen worden gecreëerd in een intersubjectief proces.

Wanneer dan in het laatste gedeelte de psychiatrie vooropstaat, werkt deze basishouding ook verder door. Bij trauma’s fungeren dromen en nachtmerries als verwerkingsmechanismen (diagnostisch en / of prognostisch). Voor de klinische praktijk vraagt de auteur vooral aandacht voor het weefsel van overdracht en tegenoverdracht, de stimulerende rol van vrije associatie, het ineengrijpen van affecten, herinneringen, verbeelding, taal, wens en denkprocessen. Deze geven aan de droom zo niet zijn koninklijke plaats, dan toch zijn rol als joker. Alle wetenschappelijke, hermeneutische, dynamische zingevingstrategieën wissen overigens uiteindelijk niet het bestaan uit van de geheimenisvolle verbinding, de navel van de droom, daar waar deze zich vasthecht aan wat Beckett L’Innommable noemt.

In het laatste gedeelte komt ook een hele reeks concrete gevallen naar voren zoals Marc Hebbrecht die met name in zijn praktijk is tegengekomen. Daarin blijkt de facto hoe een intersubjectieve benadering niet alleen theoretisch hout snijdt, maar ook tot tastbare resultaten leidt, en existentieel complexe situaties bespreekbaar en leefbaar maakt. Van mij hadden er door de rest van het boek verspreid nog wel wat meer vignetten mogen voorkomen!

Zoals de auteur ook in zijn besluit aangeeft, wil dit boek niet met ijzersterke conclusies komen maar vooral een stand van zaken weergeven en daarbij ramen openen en de discussie stimuleren. ‹De droom is meer dan alleen maar een poging tot vervulling van onbewuste wensen›, luidt de slotzin. De bewuste wens is in elk geval dat de droom als dynamische spil neurobiologie, empirische wetenschap en psychoanalyse als gesprekspartners samenbrengt en samenhoudt.

Allen die zich vanuit een theoretisch vertrekpunt of vanwege hun beroepspraktijk met de droom bezighouden vinden in deze studie een waardevol compendium met vele stimulerende suggesties voor verder onderzoek en toepassing.

 

Hebbrecht, M.

De Tijdstroom , Utrecht

2010